Alpensieger – Een van de eerste auto’s van Audi

Alpensieger

Audi had een interessantere geschiedenis, voornamelijk omdat het merk grotere, meer sportieve wagens bouwde. Nadat August Horch in 1906 gedwongen was zijn bedrijf te verkopen, begon hij in 1909 opnieuw, vlak bij zijn oude fabriek in Zwickau. Hij noemde die firma Audi, wat Latijn is voor Horch (hoor). Zijn eerste auto onder de nieuwe naam, was de 810/28, uitgerust met een 2,6 liter-motor. Deze werd gevolgd door de C14/35 Alpensieger, met een 3,5 liter-viercilindermotor die bij 1700 t.p.m. 35 pk leverde. Het standaardmodel haalde 88 km/u. Horch, die wilde deelnemen aan de inspannende Alpine bergwedstrijd, bouwde een lichtgewicht wagen met een veel kortere wielbasis dan de 3 m van het standaardmodel. Voor het koetswerk gebruikte hij aluminium. Deze wagen was bijzonder succesvol: hij won de Alpine Trials van 1912, 1913 en 1914. Vandaar de naam Alpensieger.

In de jaren die aan de Eerste Wereldoorlog voorafgingen, bouwde het bedrijf ook twee wagens met grotere motoren. Een daarvan, de 018/45, had een 4,6 liter-motor en de andere, de E22/50, een 5,6 liter-motor. Na de Eerste Wereldoorlog werd de productie daarvan hervat, maar er kwam ook een nieuwe wagen op de markt: het K-model. Deze auto had een 3,5 liter-viercilindermotor in lijn. De motor leverde ongeveer 50 pk en gaf de wagen een snelheid van 96 km/ho De K was de voorloper van misschien wel de beste Audi die voor de Tweede Wereldoorlog op de markt werd gebracht de M18/70. Deze werd aangedreven door een 4,6 liter- zescilindermotor met een bovenliggende nokkenas. Het gegoten blok was van een aluminiumlegering (siliconen-aluminium) en had duraluminium drijfstangen, stalen cilindervoeringen en een zevenmaal gelagerde krukas. De motor leverde 70 pk bij slechts 3000 toeren per minuut en de wagen haalde 120 km/ho Hij kon zich meten met de beste Duitse wagens en er was, ondanks zijn hoge prijs, veel vraag naar.

Toch begon het geluk voor Audi te keren. Horch zelf was weliswaar nog lid van het bestuur, maar hij had niets meer met de ontwerpen te maken. Het bedrijf kwam diep in de problemen, toen in 1928 een achtcilinder wagen op de markt gebracht werd. Deze wagen, het R-type ofte wel de Imperator, had een 4,8 liter-achtcilindermotor die 100 pk leverde. Het was een ouderwetse zijklepper – maar gemaakt van verschillende soorten lichtmetaal. Zelfs het chassis was heel gewoontjes (met bladveren op de starre voor- en achterassen), terwijl het cardan van een aluminiumlegering gemaakt was. Het was een groot, zwaar chassis, waarop een aantrekkelijk koetswerk geplaatst was. Hoewel de Imperator 120 km/h haalde, werden er weinig van verkocht. Rasmussen deed in 1928 een bod op Audi. Hij werd controlerend aandeelhouder en begon goedkopere wagens te produceren, Met het Amerikaanse bedrijf Rickenbacker sloot hij een overeenkomst om motoren onder licentie te bouwen.

Audi maakte zes- en achtcilindermotoren met weinig vermogen of verfijning. Deze motoren werden in de modellen uit Zwickau en Dresden geplaatst. De Imperator bleef in productie tot 1932, het jaar van de overname.

De individualiteit van Audi verdween langzamerhand. De fabriek werd een montagewerkplaats voor onderdelen die door de andere bedrijven van de groep geleverd werden. Het bedrijf was zelfs genoodzaakte verhuizen naar de Horentabriek en bleef er na 1932 weinig over van het oude Audi-bedrijf.