Autotak zelfstandig

Autoproductie was voor Les Fils de Peugeot Frères inmiddels net zo belangrijk geworden als de fabricage van korsetten. Het gevolg was, dat in 1897 de autobranche in een aparte firma werd ondergebracht, de Société Anonyme des Automobiles Peugeot. De fabriek voor deze autotak stond in Audincourt. De verkoop steeg voortdurend en bereikte in 1899 het getal van 300. In die tijd bedroeg het totale aantal automobielen in Frankrijk hooguit 1200 stuks! In 1899 verscheen er ook een speciale raceauto met een motor van 20 pk en een cilinderinhoud van 5850 cc. Daarmee won Lemaitre in maart 1899 de 120 km lange race van Nice naar Castellane en terug.

De Lion Peugeot

De dagen van de Peugeots met de motor achterin waren evenwel geteld, zeker wat de raceauto’s betreft. In de race van 1900 van Parijs naar Toulouse en terug kwam Peugeot aan de start met een nieuw model. De 30 pk twee cilindermotor met een inhoud van 5850 cc was voorin gemonteerd, onder een lompe motorkap met voorop een grote radiateur. Ondanks deze verbetering was de auto nog geen partij voor de raceauto’s van Mors of van Panhard. Het ontwerp van de motor voorin werd eind 1901 ook gebruikt voor massaproductie. Op de Autosalon van Parijs werd een nieuwe serie automobielen gepresenteerd. Behalve een 8 pk tweecilinder en een 15 pk viercilinder bleek de populairste wagen de kleine eencilinder Bébé met een cilinderinhoud van 652 cc te zijn. Dat was een leuke kleine auto met een motorkap als van de De Dion en achterwielaandrijving via een tussenas. De wagen bleef twee jaar in productie.</p

Deze auto was in het verleden erg mooi

In 1904 werd achterwielaandrijving algemeen toegepast. Een hedendaagse journalist, die al eens in een 8 pk ‘miniatuur-Mercedes’ had ge¬reden, stelde verrast vast dat de Peugeot wat rijeigenschappen betreft helemaal niet aan een veteraan deed denken, maar veeleer aan een ‘vintage’-automobiel uit de jaren ’20. Wél vond hij, dat de twee cilindermotor in de lage versnellingen verontrustend trilde Het programma voor 1903 bestond uit vier auto’s: de 5 pk Bébé, een nieuw 6,5 pk model, waarop een vierzitstonneau De nieuwe Peugeots hadden zich in wedstrijden al laten zien. Roquette werd 19e in de race Parijs-Wenen van 1902 met een exemplaar met een motor van 40 pk en 11.322 cc. Zijn twee ploeggenoten haalden echter de finish niet, een lot dat ook aan Callois met zijn 16 pk tweecilinder van 2126 cc ten deel viel in de klasse ‘Voiture Légère’ (Lichte Klasse). De daaropvolgende tien jaar zou Peugeot zich echter bij autoraces niet meer vertonen, tenminste de hoofdfabriek niet. In 1906 had Robert Peugeot namelijk zijn eigen autofabriek in Valentigney opgezet onder de naam Lion Peugeot. Lion sloeg op de leeuw uit het Peugeot-embleem. De door Michaux ontworpen auto’s van Lion Peugeot waren bedoeld voor het opvangen van het gat aan de onderkant van de markt, dat na het productie eind van de Bébé was ontstaan. Niettemin werden beide merken toch concurrenten.

Oude mannen bij een van de eerste auto's

Lion Peugeot werd vooral bekend als raceauto. In de periode van 1908 tot 1911 bedacht het merk de merkwaardigste ontwerpen. Het doel was, de racereglementen te omzeilen. Daarin werd namelijk aan de boring van de cilinders een grens gesteld. Aan de slag van de zuigers niet. Lion Peugeot maakte daarom eencilinder motoren, V2-motoren en V4-motoren met een dusdanig lange slag, dat de coureur niet eens meer direct over de motorkap naar voren kon kijken. Bijzonder vooral was de VX5 uit 1910, die een 2815 cc motor had met de cilindermaten 80 mm x 280 mm, goed voor een maximumsnelheid van 152 km per uur in overdrive. Op le-lion-peugeot.nl kunt u meer informatie vinden over de Lion Peugeot.

De twee Peugeot firma’s gingen in 1911 weer samen, zij het dat de Lions tot het daaropvolgende jaar bleven racen en dat de toer modellen van Lion Peugeot tot 1913 werden gemaakt. De producten van wat toen Automobiles Peugeot heette, werden op de gebruikelijke ma¬nier gemaakt. Hun kwaliteit bleek uit de in 1905 verreden Coupe Rochet¬Schneider, een veeleisende 102 km lange testrit voor toerauto’s, die werd georganiseerd door de automobielclub van Zwitserland en werd verreden in de omgeving van Zürich. De hoofdprijs was bestemd voor de auto die de beste totaalprestatie zou leveren wat betreft betrouwbaarheid, benzineverbruik, heuvel klimwedstrijden en gemiddelde snelheid. Winnaar werd de 18 pk Peugeot van M. Perret, die was ingeschreven door de automobielclub van Auvergne.

Op de Parijse salon van 1907 werd de eerste zescilinder Peugeot gepresenteerd, terwijl op dezelfde tentoonstelling Tony Huber, die zich kort tevoren als autofabrikant had teruggetrokken om zich geheel op motoren bouw te concentreren, zijn naam verbond aan Automobiles Peugeot. In 1910 was het Peugeot programma uitgegroeid tot zeven modellen: een 1149 cc tweecilinder en zes vier cilindermodellen van 2001, 2619,3817,3989,5027 en 6082 cc. In dat jaar werd een nieuwe fabriek geopend in Sochaux, dat in 1928 het middelpunt van de autofabricage zou worden. Natuurlijk zijn er voor de Peugeot ook dakdragers te vinden. In 1912 kwam er een nieuwe Bébé, een kleine 850 cc viercilinder, die oorspronkelijk was ontworpen door Ettore Bugatti maar die verkocht was aan Peugeot. De zijklep motor werd uit één stuk gegoten en dreef de achteras aan via een merkwaardige twee versnellingstransmissie: twee concentrische cardanassen met getande einden, die aangrepen op een dubbele rij tanden van het kroonwiel. In 1914 volgde een drie versnellingsbak.