Nissan deel 2

Op sportwagengebied zorgde Nissan in 1970 voor een doorbraak met de Datsun 240Z.
Deze zescilindersportcoupé, waarmee tweemaal de East African Safari Rally werd gewonnen, maakte Nissan tot de grootste producent van sportauto’s.
Wat de vormgeving betreft was deze coupé, tussen van de overige, vaak saaie modellen, opvallend.
De 240Z, in sommige landen ook bekend als de Fairlady, werd gevolgd door de 260Z, de 280Z en, in 1978, de 280ZX.
In 1979 introduceerde Nissan de eerste auto’s met turbo in Japan.
Hoewel de namen Cedric en Gloria niet direct een magische klank hadden, werd het Cedric/Gloria-model in 1979 niettemin gekozen tot de Auto van het Jaar in Japan.

In 1980 kwam Nissan met een nieuwe serie Leopard.

Er kon worden gekozen uit drie verschillende motoren; er was ook een turbo.
In 1981 en 1982 volgden verder ontwikkelde turbo-uitvoeringen van de Leopard en de Silvia/Gazelle.
In 1983 kreeg ook de Z-serie een turbo, onder de typen aam 300ZX.
De V6- motor van 3 liter daarvan goed voor 230 pk en een snelheid van 250 km per uur.
Voor de onderkant van de markt werd datzelfde jaar de Micra – in Japan March geheten – geïntroduceerd.
De Micra had een voorwielaandrijving en een kleine dwarsgeplaatste motor van 1 liter.
Dit model sloeg bij het koperspubliek goed aan.
De Bluebird onderging een totale gedaanteverwisseling en kreeg voorwielaandrijving.

 

 

 

De naam Datsun werd geschrapt

In 1984 werd, ter gelegenheid van het 50-jarige bestaan van Nissan, de naam Datsun definitief geschrapt.
De daaropvolgende jaren zouden de modellen van Nissan een herkenbaar front krijgen: een horizontale kunststof gril met gleuven met in het midden het Nissan-Logo.
Op de Autosalon van Parijs toonde Nissan de NX-21, een experimentele auto met een keramische turbinemotor, vleugeldeuren, veel elektronica voor onder meer een routesysteem en in plaats van een contactsleutel een persoonlijke magneetkaart.
In 1985 stelde Nissan de MlD 4 voor, een tweezitter met vier-wielbesturing en een midden-motor met vier nokkenassen, die was afgeleid van de V6-motor uit de 300ZX.
Op 4 oktober 1985 opende de Japanse firma in Amsterdam het Nissan Motor Parts Centre, dat op dit moment heel Europa van onderdelen voorziet.

 

Samenvoeging Cherry en Sunny

In 1986 voegde Nissande Cherry en de Sunny samen tot een geheel nieuwe modellen reeks onder de naam Sunny.
Van meet af aan waren er maar liefst 30 modellen, met diverse motoruitvoeringen.
De CUE-X was een nieuw prototype, vol elektronische snufjes en met een V6-motorvan 3 liter met dubbele turbo.
Op de Autoshow van Tokio van eind 1987 introduceerde Nissan de Pao, een klein stadsautootje met een nostalgisch uiterlijk dat was gebaseerd op de Micra.
Met de serieproductie van de Pao startte Nissan in 1989. Deze auto was ook geschikt om dakdragers en dakkoffers te dragen alleen deze zijn tegenwoordig lastig te vinden omdat deze niet meer worden geproduceerd.

36579210950 a2e9b3f662 b 300x200 -
In Engeland werden in 1988 maar liefst 50.000 Bluebirds geassembleerd.
In Sunderland, bij Newcastle, begon Nissan aan de bouw van een nieuwe fabriek.
In 1992 moet deze 200.000 auto’s kunnen bouwen.
Voor de Silvia kwam Nissan in 1988 met een opvolger, de 200 SX.
Deze had veel weg van een mini-ZX en was uitgerust met een 1,8 liter-motor, al dan niet met turbo.
De Nissan Maxima werd in 1989 het nieuwe topmodel voor Europa, in de plaats van de tamelijk ‘gewoon’ uitziende Laurel.
Voor de Maxima, een moderne en luxueus ogende auto met een complete basisuitrusting, werd als krachtbron de V6-motor van 3 liter uit de ZX gebruikt.
De nieuwe ZX, met dubbele turbo en intercooling, kwam eveneens in 1989 op de markt.

 

Wil je meer over de geschiedenis van Nissan weten? lees dan ook eens Nissan deel 1! Klik hier voor Nissan deel 1.

 

Bron:

Geschiedenis van Nissan

Website van Nissan

 

Nissan

Ook interesse om eens te weten hoe Nissan is ontstaan tot een van de grootste merken die rond rijden op de weg. In dit deel word vooral het ontstaan en de weg naar Europese landen besproken.

Ontstaan van Nissan

In 1912 bouwden drie partners in de Kwaishinsha Motor Car Works uit Tokio – Den, Aoyama en Takeuchi – een experimentele auto.
Twee jaar later volgde een tweede auto, die naar de initialen van de drie de naam DAT kreeg.
Het Model 31 kwam in 1915 in de verkoop en een jaar later de 41.
In 1926 gingen Den, Aoyama en Takeuchi samen met Lila-automobielen in Osaka en verlieten ze Tokio.
Tot 1931 werden vrachtwagens geproduceerd.
Daarna werd de draad weer opgepakt met de Datson (Zoon van Dat).
In het Japans betekent ‘son’ echter ook ‘verlies’, zodat men de naam wijzigde in Datsun.
Het merk kon daardoor ook voor de auto-badge gebruik maken van het Japanse nationale symbool: de rijzende zon.

Verhuizen

De firma: die toen de Jidosha Seizo Kabushiki Kaisha heette, verhuisde in 1933 naar Yokohama.
Een jaar later begon het bedrijf daar onder de nieuwe naam ‘Nissan Jikosha Kaisha’ met de productie van een kleine auto, naar het idee van de Austin Seven.
Een overeenkomst om Model C Fordste bouwen liep op niets uit.
Wel verscheen Nissan in 1937 met grote auto’s die waren gebaseerd op de Amerikaanse Graham.
Een jaar later verdween ook dit model weer naar de achtergrond.
Nissan richtte zich toen hoofdzakelijk op vrachtauto’s, in verband met de naderende Tweede Wereldoorlog (1940-1945).

nt400 cabstar overview truck lhd.jpg.ximg .s 12 h.smart  300x169 -

 

Nissan naar de tweede wereldoorlog

Na de Tweede Wereldoorlog kwam in 1947 de productie van personenauto’s bij Nissan weer op gang, met modellen die waren gebaseerd op de toenmalige Austins.
In 1955 kreeg Nissan van de Amerikaanse ‘bezetter’ het volledige beheer over zijn fabrieken terug.
De Datsun 110 en de daarvan afgeleide pick-up, de Datsun 120, liepen al spoedig in grote aantallen van de band.
Drie jaar later begon Nissan aan zijn sprong naar de Amerikaanse markt met de introductie van de nieuwe Bluebird.
De Bluebird moest de basis voor de export gaan leggen.
In 1961 was Nissan Japans auto-exporteur nummer één.
Vooralsnog maakte de Europese auto-industrie zich weinig zorgen.
In 1962 verlieten al meer dan 100.000 Nissans Japan.
In 1964 echter werden zelfs al 10.000 Bluebirds per maand gebouwd.
Nissan breidde zijn productiemogelijkheden flink uit met nieuwe vestigingen in Oppama en Zama.

Fusie

Na een fusie met Prince Motors nam Nissan in 1966 Murayama over.
Dat maakte het bedrijf tot Japans grootste autoproducent, totdat korte tijd later Toyota die positie overnam.
Nissan had inmiddels in Europa een stevige voet aan de grond gekregen.
De export naar Nederland en België begon in 1966 met de introductie van de Sunny. Deze auto is zeer geschikt op Europese wegen voor Dakkoffers en dakdrager van merken onder andere Atera, Thule en Hapro. De Britse markt werd in 1968 met de toen nieuwe 1800 Laurel voor het eerst betreden.

 

Voor deel 2 van Nissan geschiedenis klik hier: Deel 2

Bron:

Wikipedia Nissan