203, Het na-oorlogs topmodel

Cabriolet tijdens Tweede Wereldoorlog

Gedurende de Tweede Wereldoorlog werd een aantal elektrische cabrioletten geproduceerd onder de aanduiding VLV. Na 1945 was Peugeot in Sochaux al gauw weer present met de 202. Daarvan werden er in 1946 maar liefst 14.000 stuks afgeleverd. Het jaar daarop kwam Peugeot met een nieuw model, het type 203 met rondom schroefveren (vóór onafhankelijk) en een 1,3 liter-motor met natte cilindervoeringen. De tandbeugelbesturing en de hydraulische remmen waren voor Peugeot een primeur. De 203 vormde het topmodel van Peugeot van 1949 tot 1954 en was goed voor nieuwe recordverkopen. Tot 1960 bleef de 203 in productie.

In 1950 nam Peugeot Chenard-Walcker over. Daardoor kreeg het bedrijf ook een behoorlijk stuk van Hotchkiss in bezit. In 1955 verscheen een nieuwe bestseller, het Type 403 met een 1,5 liter-motor. Daarmee richtte Peugeot zich op een duurder marktsegment. In 1960 kwam de motor van de 203, toen dit model eindelijk uit de productie ging, naar keuze voor de 403 beschikbaar, nadat de automobilist al vanaf 1959 ook voorde Indénor-diesel had kunnen kiezen. Tot april 1962 werden uiteindelijk een miljoen 403’s verkocht. Een Peugeot is een goede auto waar je een dakkoffer op kunt plaatsen.

 

Vormgeving

Wat de vormgeving betreft vertoonde de in 1960 uitgebrachte 404, met zijn vierkante carrosserie en ingekorte staartvinnen, dezelfde Farina-achtige karaktertrekken als de op het eerste gezicht gelijk uitziende modellen BMC A55 en Fiat 1800/2100. De 404 was voorzien van een grotere uitvoering (1618 cc) van de 403-motor. Deze motor was onder een hoek van 45 graden in de motorruimte geplaatst. Ook had de 404 een onafhankelijke voorwielophanging met MacPherson veerpoten. Het was een robuuste auto, die groot succes boekte in de East African Safari, een evenement dat Peugeot heel wat prestige opleverde, Eind 1962 introduceerde Peugeot de stationwagen uitvoering van de 404. Kopers konden kiezen tussen de 1468 cc-motor uit de 403 of de 1618 cc-motor van de 404, Gezinsauto’s werden door Peugeot geleverd met een extra achterbank en daardoor ontstond dan een achtpersoons auto, De coupé- en cabrioletuitvoeringen van de 404 hadden als keuzemogelijkheid benzine-injectie van Kugelfischer. In 1965 stelde Peugeot deze mogelijkheid ook voor de saloon beschikbaar.

In 1965 kwam er tevens een nieuwe kleine Peugeot, die in technisch opzicht net zo vooruitstrevend was als de oude 404, Dit was het Type 204, een vierdeurs saloon met een dwars geplaatste, geheel lichtmetalen motor van 1130 cc met een bovenliggende nokkenas. Deze dreef via een volledig gesynchroniseerde vier versnellingsbak, ondergebracht in het carter, de voorwielen aan. De wielophanging was rondom onafhankelijk. Wat de vorm betreft was de door Farina gemodelleerde 204 een stuk gladder dan de 404. De 304 uit 1970 was een 204 met een grotere 1288 cc-motor en karakteristieke trapeziumvormige koplampen, Dit had ook de 504 met zijn gelijkvormige stijl. De 504 had een 1796 cc-kopklepmotor met natte cilinderuitvoeringen, die ontwikkeld was uit de 404-motor. Verder had de 504 rondom bekrachtigde schijfremmen. Midden 1970 nam de cilinderinhoud van de 504-motor tot 1971 cc.

peugeot-204-coupe

Samenwerking

In de tussentijd had Peugeot enige voordelige samenwerkingsverbanden gesloten. In 1964 deelde het bedrijf een aantal middelen met Citroen. Onder andere namen beide merken, elk voor de helft, deel in de indénor-dieselmotor-fabriek. Vervolgens kwam in 1966 een gezamenlijk research -en investeringsproject van de grond tussen het nog steeds door de familie bestuurde Peugeot-concern en de door de staat beheerste Renault-maatschappij. Dat leverde onder meer de nieuwe geheel uit aluminium vervaardigde V6-motr van 2664 cc op. Deze werd aangekondigd op de Autosalon van Parijs van 1974. Het Zweedse bedrijf Volvo was de derde partner in dit project. De drie merken nemen de financiële en technische kanten ervan gelijkelijk voor hun rekening.

Peugeot gebruikte de V6-motr in de 504-coupe en 504-convertible en voorzag de motor van elektronische ontsteking. Deze ontsteking maakte de gebruikelijke contactpunten overbodig. Bovendien werd een vernuftig systeem toegepast van een dubbele carburateur met een gemeenschappelijk inlaatspruitstuk. Het idee hierachter was dat de enkele gasklep van de voorste carburateur mechanisch werd bediend door het gaspedaal. Stond deze gasklep eenmaal half open, dan zorgen de drukdaling in het inlaatspruitstuk ervoor, dat de achterste carburateur die een dubbele gasklep had eveneens openging, dus alleen gestuurd werd door het aanwezige vacuüm. Verder gaf Peugeot de nieuwe van een V6-motor voorziene 504’s, als eerste, stuurbekrachtiging.

Nieuwe successen voor Peugeot

Franse Grand Prix

Voor de Franse Grand Prix van 1913 verbeterde Peugeot zijn raceauto, terwijl de cilinderinhoud tot 5655 cc werd teruggebracht om te kunnen voldoen aan de geldende formule voor het brandstofverbruik. Bij het proefrijden met een van deze nieuwe auto’s, op een lange verlaten weg in Normandië, kwam Zuccarelli om het leven toen een boer met een hooiwagen onverhoeds de weg opreed. De opengevallen plaats in het team werd ingenomen door Delpierre. De nieuwe auto’s waren net zo snel als hun grotere voorgangers. Boillot won met het grootste gemak de Grand Prix. Daardoor werd hij de eerste coureur die ooit dit evenement tweemaal op zijn naam schreef; Goux werd tweede.

mooie auto goedkoop huren 300x200 - Nieuwe successen voor Peugeot

In 1914 werd het Peugeot-ontwerp schaamteloos nagemaakt door Straker-Squire, Humber en Sunbeam, voor de TT -races op het eiland Man. Later volgden mensen als W.O. Bentley en Harry Miller dit voorbeeld. In Amerika maakten ‘les véritables Peugeots’ deel uit van de Europese ploeg, die het thuisteam in Indianapolis bij wijze van revanche ongenadig klop had gegeven. Ex-Peugeot-coureur René Thomas won de ‘500’ in een 6235 cc-Delage. Duray bezette in een 3 liter Peugeot de tweede plaats. De Grand Prix-auto van Boillot uit 1913 was in de race de snelste en vestigde met 160,1 km per uur een nieuw ronderecord, voordat hij genoodzaakt werd de strijd te staken door een klapband waarbij het chassis scheurde. Voorde Franse Grand Prix van 1914,die met een maximumcilinderinhoud van 4,5 liter werd verreden, had Peugeot nieuwe racewagens gebouwd. In de race bleken ze echter geen partij te zijn voor de Mercedessen, met hun krachtige, uit de vliegtuigwereld stammende motoren. De enige troef van Peugeot bestond uit de vierwiel remmen; Mercedes had alleen maar remmen op de achterwielen. Voor meer informatie over Mercedes kun je het beste naar hun site gaan www.mercedes-benz.com/en/. Boillot ging tot het uiterste. Vanaf de zesde ronde bezette hij de eerste plaats. De nieuwe carrosserie met zijn lange achterkant had echter een ongunstige invloed op de gewichtsverdeling. Dat leidde onder meer tot problemen met de banden. Daarnaast was het onvermijdelijk dat het tempo rijden om snellere auto’s voor te blijven, een ongehoorde belasting vormde voor de motor. Het einde kwam in de 20e ronde, toen de Peugeot eerst een gebroken klep opliep en toen allerhande storingen ging vertonen en snel de geest gaf. Boillot mocht vanaf een nabijgelegen caféterras de race verder volgen en zag de Duitsers een overtuigende zege behalen.

Peugeot 208 2012 7 300x200 - Nieuwe successen voor Peugeot

Georges Boillot werd tijdens de Eerste Wereldoorlog in 1916 met zijn vliegtuig boven het front neergeschoten. Zijn jongere broer André nam na de oorlog zijn plaats aan het stuur van de Peugeot racewagens over. De auto’s hadden tijdens de Eerste Wereldoorlog de naam van Peugeot hoog gehouden in de voornaamste races van Amerika. Zo was er een tweede plaats in Indianapolis in 1915 en een overwinning in 1916. Bovendien behaalde Peugeot eerste plaatsen in de Grand Prix en in de Vanderbilt Cup wedstrijden in 1915. De 1914 GP-auto van Wilcox won op zijn beurt in 1919 de Indianapolis 500. Dankzij Harry Miller werden ook vele overwinningen behaald met motoren die waren gebaseerd op ideeën van Peugeot. Voor de Indianapolis 500 van 1949 werd zelfs een 1914 Peugeot ingeschreven, die zijn oefenronden reed met een snelheid van 166 km per uur. Dat was niet voldoende om zich voor de race te kwalificeren.

Chevrolet Camaro Lebron James wit 300x163 - Nieuwe successen voor Peugeot

André Boillot won in 1919 de race Targa Florio met een 2,5 liter Peugeot, die voor de niet verreden Coupe de I’Auto van 1914 was gebouwd en die door zijn broer, en later ook door Charles Faroux, als stafauto was gebruikt. Er stonden al 200.000 km op de teller, voordat de wagen ooit op een circuit was verschenen. De jonge Boillot reed een opwindende Targa. Hij maakte een zestal spectaculaire uitstapjes naast de baan, alvorens tweemaal te finishen: eenmaal achteruit en eenmaal in de goede rijrichting. Dat deed hij vanwege het feit dat hij – om een aantal toeschouwers op de baan te vermijden – de eretribune had geramd’ Eenmaal definitief over de streep riep hij uit: ‘C’est pour la France!’ en zakte prompt over zijn stuurwiel in elkaar. Men vond direct dat André Boillot net zo vakkundig en gedurfd reed als zijn broer Georges had gedaan en misschien zelfs nog iets roekelozer. Later bleek dat deze race zijn beste prestatie op race¬gebied was geweest. Hij presteerde echter nog vaker goed. In 1925 eindigde hij als derde in de Targa Florio. In 1922 en 1925 bezette hij de eerste plaats in de Coppa Florio. Ook de Touring Car Grand Prix van 1923 en 1925 werden door hem gewonnen, evenals de 24 uur van Spa in 1926. AI deze races reed hij in Peugeots met een schuiven motor. In 1932 kwam hij, net als zijn vader, om het leven in een auto: bij het testen van een prototype. Op http://www.autotravelshop.nl/dakkoffers kunt u dakkoffers vinden voor uw auto. Peugeot had overigens in 1921 de Grand Prix-racerij de rug toegekeerd, na enkele ontmoedigende mislukkingen in belangrijke wedstrijden aan beide zijden van de Atlantische Oceaan. De toenmalige racewagen van Peuogeot was uitgerust met een merkwaardig samenstel van drie bovenliggende nokkenassen, die vijf kleppen per cilinder bedienden. Deze motor was ontworpen door Marcel Gremillon. Gremillon was een van de leden van het officiële ontwerpteam van Peugeot, dat zich in de dagen vóór de Tweede Wereldoorlog zo laatdunkend had uitgelaten over de ‘Les Charlatans’. Henry en Goux waren inmiddels naar Ballot vertrokken.

liggende foto website ANWB Opfriscursus autorijden Senioren 300x155 - Nieuwe successen voor Peugeot

DE QUADRILETTE

Op de Autosalon van Parijs van 1919 toonde Peugeot viercilinder modellen van 10 pk en van 14 pk. Het 14 pk model was een verfraaide uitvoering van het vooroorlogse Type 153. Ook kwam Peugeot met een 6 liter-schuiven motor met zes cilinders en een vermogen van 25 pk. Het belangrijkste nieuwtje was evenwel een ‘geheel nieuw en sensationeel model’: de Quadrilette. Dat was volgens Peugeot een goedkope auto voor de gewone man. Het was in feite een verfijnde uitvoering van de ‘fietsauto’. Daarvoor moest jaarlijks hetzelfde bedrag van 100 frank belasting worden betaald als voor een lomp geval als de Bédélia. De Quadrilette had een ‘fatsoenlijke’ viercilinder motor met een geringe inhoud van 628 cc. Dat was echter zo’n beetje het enige wat het autootje met de oude Bébé gemeen had.

Peugeot gaf hoog op van zijn nieuwe model: ‘Ten gevolge van de prijsinflatie van benzine, olie en banden moeten veel mensen het doen zonder de auto, die zij voor hun beroep nodig hebben. De Société Peugeot wil daarop inhaken en heeft een auto ontworpen, die een minimum aan onderhoud vraagt.

De Quadrilette Peugeot heeft een te verwaarlozen benzineverbruik (minder dan vijf liter benzine per 100 km) en gebruikt ook een te verwaarlozen hoeveelheid olie. Voorts gebruikt hij nauwelijks banden. Dankzij zijn kleine breedte (116 cm – een motorfiets met zijspan meet 145 cm) kan de Ouadrilette gebruikmaken van de smalste landweggetjes. In stedelijke gebieden en op drukke wegen kan hij zich door het verkeer wurmen en daardoor zijn bestuurder een aanzienlijke tijdwinst opleveren. Hij kan overal gemakkelijk komen. Ten slotte is de Quadrilette geen snel in elkaar geschroefde fietsauto’. Het is de eerste fietsauto’ die net zo doordacht en serieus is geconstrueerd als een auto van normale afmetingen.

Mercedes Benz S 123 1978 660x400 300x182 - Nieuwe successen voor Peugeot

Ten gevolge van al deze goede eigenschappen is de Ouadrilette Peugeot het volmaakte voertuig om twee personen snel en zuinig te vervoeren. De Quadrilette is het ideale vervoermiddel voor dokters, veeartsen, rijkspolitie, zakenmensen, handelsreizigers, afgevaardigden enzovoort. Een tochtje met de Quadrilette kost minder dan een derde klas treinkaartje’.

Het chassis van het nieuwe model bestond uit een bak van geperst staal, die was opgehangen aan een dwarse voorveer en kwart elliptische achterveren. De zitruimte was minimaal, omdat de auto smal was. De wieldoppen zagen er ook erg retro uit. Beide inzittenden zaten óf achter elkaar óf schuin naast elkaar, als het bijvoorbeeld om zeer goede (en magere) vrienden of familieleden ging. De zuinigheid van de Ouadrilette werd keer op keer bewezen door prijzen in evenementen met welluidende namen als het ‘Concours du Bidon de 5 litres’ (Wedstrijd van de 5 liter fles), in 1920 gehouden in La FerteBernard. Daarin won de Quadrilette zijn klasse door op 5 liter 117,9 km afte leggen. Een ander was de ‘Eén liter jerrycantest’ in Genève, waarbij met één liter benzine 27,405 km werd gehaald. De cilinderinhoud van de eerste Quadrilettes (628 cc) was duidelijk onvoldoende. Al spoedig werd de cilinderinhoud vergroot naar 667 cc. In 1925 werd dat 719 cc, terwijl de laatste Quadrilettes uit 1929 694 cc-motoren hadden. Dat was een merkwaardige teruggang, als men bedenkt dat het kleine motortje toen een vijfzits carrosserie moest voortbewegen, daarbij geholpen door een overbrenging van 7,25:1 in de hoogste versnelling. Behalve de Ouadrilette bestond het programma in 1923 uiteen 10pk-model van 1437 cc, dat verkrijgbaar was met sportieve vierzits carrosserieën die waren uitgevoerd als torpedo, luxe torpedo of met bootvormige achterzijde. Ook maakte men een 15 pk model van 2950 cc (met een normaal of een verlengd chassis en als sportwagen), een 18 pk van 3828 cc (lang chassis en Grand Sport) en een 25 pk, uiterst luxueuze zescilinder. Deze twee laatste modellen waren voorzien van een schuivenmotor.

Uitbreiding van Peugeot

Peugeot breidde tijdens de jaren ’20 voortdurend uit. In 1927 nam Peugeot de fabrieken van het zieltogende Bellanger en De Dion Bouton over. In 1928 bracht Peugeot nieuwe modellen uit, als eerste het Type 183 van 1991 cc, dat eind 1930 in mechanisch opzicht een vernieuwing onderging. In dat jaar maakte het type 183 als drie zits cabrioletcoupé zijn opwachting op de Olympia Motor Show. Met een ander nieuw model verscheen Peugeot op de Autosalon van Parijs van 1929, het Type 20l Waarschijnlijk was dat de goedkoopste vierpersoonsauto op de Franse markt. Tevens was het de eerste Peugeot met het cijfer nul in de typeaanduiding. De wagen had een 1122 cc motor en omgekeerde kwart elliptische bladveren, die men gewoonlijk alleen aantrof bij Bugatti. Helemaal toevallig was dat overigens niet, want Bugatti verkeerde weer in Peugeot kringen. In 1930 produceerde hij zijn Type 48, een geblazen motor van 995 cc met een bovenliggende nokkenas, die in feite de halve motor uit het Type 35 was. Deze motor werd aan Peugeot geleverd voor het Type 201 X, een nieuwe sportauto waarmee André Boillot in 1931 het 24 uurs record in de 1500 cc klasse veroverde. In 1932 kwam hij echter bij het testen van een 201 X om het leven, waarna Peugeot het model liet vallen. Er waren er nog maar een paar van gebouwd. Ook interesse in een Peugeot dakdrager kijk dan eens op autotravelshop.nl

Eind 1931 werd de naam ‘Lion-Peugeot’ weer uit de kast gehaald voor een nieuwe uitvoering van het Type 201. Dat type was uitgevoerd met onafhankelijke voorwielophanging door middel van een dwars geplaatste veer en lange reactie-armen in de plaats van de traditionele starre as. De 201 met oude wielophanging bleef overigens ook verkrijgbaar. Op de Autosalon van Parijs van 1933 toonde Peugeot de modellen 201 en de 301. Een nieuwtje op de 301 (in feite een zescilinder uitvoering van de 201) was een verticaal bewegende ruit, die door middel van een klein wieltje met de hand kon worden bediend. ‘De ruit verdwijnt in het dak, waar er helemaal geen ruimte voor lijkt te zijn; men ontkomt niet aan de indruk, dat het glas zich moet buigen’, zo schreef het Britse autoblad ‘The Motor’ destijds.

Peugeot oldtimers

Hoewel deze modellen uiterlijk even fraai waren als andere auto’s uit die tijd, leek het de volgende herfst wel of iemand een ‘airflow-aanval’ had gekregen, gezien de stroomlijn van het nieuwe Type 402. De carrosserie was zo breed, dat het chassis vergroot moest worden om voldoende draagvlak te bieden. Voorin konden drie man naast elkaar zitten. Peugeot plaatste de koplampen en de accu’s tussen de hellende gril en de radiateur. De motor was voorzien van kopkleppen. Als transmissie kon voor een elektrisch bediende planetaire Cotal versnellingsbak worden gekozen, nagenoeg een automaat. Deze was voorzien van de Fleischel centrifugaal koppeling met vacuümmembraan. AI naar gelang het toerental en de belasting van de motor, werd door deze ‘koppeling’ bediend door een schakelaar die automatisch de juiste overbrenging van de Cotal versnellingsbak in werking stelde. Dit systeem hield Peugeot overigens niet lang in productie, want vanaf de volgende herfst (1935) was alleen nog maar de standaard Cotal versnellingsbak verkrijgbaar. Op Marktplaats staan veel Peugeot oldtimers te koop

De oorlogsdreiging in 1938 was er de oorzaak van, dat de Autosalon van Parijs een week werd uitgesteld. Veel mensen uit de organisatie werden namelijk tijdelijk gemobiliseerd. Toen de deuren eenmaal opengingen, werden de nieuwe Peugeot modellen een grote attractie. De nadelige effecten van een hoog opgeschroefde belasting op het brandstofverbruik werden zichtbaar in een nieuwe generatie Franse auto’s, die waren voorzien van grote carrosserieën met ondermaatse motoren. De grootste van de Peugeots uit 1939, bijvoorbeeld een 402 die een vernieuwing had ondergaan, was veel te zwaar voor zijn 2140 cc grote viercilinder motor. De zescilinder motor was overigens al na drie jaar uit productie gegaan. Zowel de nieuwe 2,1 liter-motor als de 1,1 liter motor werd door Peugeot voorzien van natte cilindervoeringen. Alle modellen hadden onafhankelijke voorwielophanging. De radiateur grilles van de modellen uit 1939 stonden nog schuiner dan voorheen. De carrosserie, met zijn duidelijk stroomlijn, maakte nog meer een overdreven indruk. De meest opvallende Peugeot was het nieuwe zuinige Type 202. In Engeland kostte dat maar 225 pond. In 1939 werden er maar liefst 52.796 van verkocht. Daarmee klom Peugeot op naar de tweede plaats onder de Franse automobielfabrikanten, achter Citroën.

Race auto’s

Peugeot in de racerij

Het jaar 1912 werd vooral gekenmerkt door de terugkeer van Peugeot in de racerij met een motorontwerp dat geschiedenis heeft geschreven. Het ontstaan van de nieuwe racemodellen was een direct gevolg van de hereniging van Peugeot met Lion Peugeot. Het raceteam van Lion Peugeot was een uniek trio van technisch goed onderlegde coureurs: Georges Boillot, Jules Goux en Paolo Zuccarelli. Toen deze drie samen met Robert Peugeot over de mogelijkheden van beide Peugeot firma’s konden beschikken, waren ze van mening dat het tijd werd, de stap te maken van het kleine auto racewerk naar de grote machines. Daarvoor moesten ze echter wel over een geschikte auto beschikken. Goux legde deze wens aan Robert Peugeot voor. Hij stelde, dat hij en zijn beide collega’s zelf zo’n auto konden ontwerpen. De ontwerpafdeling van Peugeot vond het idee belachelijk en sprak over Boillot, Goux en Zuccarelli als ‘Les Charlatans’. Robert Peugeot, die de leiding over beide firma’s had, zag het idee echter wel zitten en gaf het groene licht. De 26-jaar oude Zwitser Ernest Henry kreeg de opdracht hun ideeën te verwezenlijken. Het werd een revolutionair ontwerp: een dubbele bovenliggende nokkenas met vier schuingeplaatsten kleppen per cilinder.

In het experimenteerhoekje, dat Robert Peugeot aan Boillot, Zuccarelli, Goux en Henry in de fabriek ter beschikking had gesteld, construeerde het viertal een prototyperacewagen voor Franse Grand Prix, die na vier jaar in 1912 weer zou plaatsvinden. Robert Peugeot twijfelde echter nog aan de mogelijkheden van de 7,6 liter-motor. De kwaadsprekerij vanuit de ‘officiële’ ontwerpafdeling was daar waarschijnlijk de oorzaak van. Hij besloot een test te organiseren tussen de Peugeot en een Bugatti. Bij Bugatti ging het maar dat is niet zeker meer te achterhalen om het nieuwe ‘Type Garros’ van 5026 cc, voorzien van één enkele bovenliggende nokkenas en drie kleppen per cilinder. De Peugeot haalde een snelheid van 185 km per uur, terwijl de Bugatti op 160 km per uur bleef steken. Klik hier om automatten voor uw race auto te vinden.

350px Ferrari Formula 1 lineup at the Nürburgring 300x200 - Race auto's

De Grand Prix van 1912 was eigenlijk opgezet als een evenement met een vrije formule. Het betekende, dat de nieuwe Peugeots het moesten opnemen tegen monsters als de Fiat die was voorzien van de 14.137 cc grote motor met een bovenliggende nokkenas en tegen de Lorraine-Dietrich, die met de 17 liter-motor een nog grotere cilinderinhoud had. Rekening houdend met het feit dat de race in twee dagen werd verreden over een afstand van 1538 km zal het duidelijk zijn dat die grote, langzaam draaiende en daardoor minder belaste motoren veel betrouwbaarder leken. Aanvankelijk werd dat door de praktijk bevestigd. De Peugeot met Jules Goux aan het stuur werd gediskwalificeerd, nadat een rondvliegende steen zijn benzinetank had lekgeslagen en hij in strijd met de reglementen buiten de pits nieuwe benzine had getankt. De Peugeot met Paolo Zuccarelli had tweemaal problemen met een gesprongen radiateur slang, wat leidde tot een oververhitte motor.

Bij de start op de tweede dag lag de Peugeot van Georges Boillot tweede tussen de Fiats van David Bruce Brown en Louis Wagner. Uiteindelijk ging de Peugeot van Georges Boillot als winnaar van de auto’s over de finish met een alleszins goed gemiddelde van 110,16 km per uur.

Autotak zelfstandig

Autoproductie was voor Les Fils de Peugeot Frères inmiddels net zo belangrijk geworden als de fabricage van korsetten. Het gevolg was, dat in 1897 de autobranche in een aparte firma werd ondergebracht, de Société Anonyme des Automobiles Peugeot. De fabriek voor deze autotak stond in Audincourt. De verkoop steeg voortdurend en bereikte in 1899 het getal van 300. In die tijd bedroeg het totale aantal automobielen in Frankrijk hooguit 1200 stuks! In 1899 verscheen er ook een speciale raceauto met een motor van 20 pk en een cilinderinhoud van 5850 cc. Daarmee won Lemaitre in maart 1899 de 120 km lange race van Nice naar Castellane en terug.

De Lion Peugeot

De dagen van de Peugeots met de motor achterin waren evenwel geteld, zeker wat de raceauto’s betreft. In de race van 1900 van Parijs naar Toulouse en terug kwam Peugeot aan de start met een nieuw model. De 30 pk twee cilindermotor met een inhoud van 5850 cc was voorin gemonteerd, onder een lompe motorkap met voorop een grote radiateur. Ondanks deze verbetering was de auto nog geen partij voor de raceauto’s van Mors of van Panhard. Het ontwerp van de motor voorin werd eind 1901 ook gebruikt voor massaproductie. Op de Autosalon van Parijs werd een nieuwe serie automobielen gepresenteerd. Behalve een 8 pk tweecilinder en een 15 pk viercilinder bleek de populairste wagen de kleine eencilinder Bébé met een cilinderinhoud van 652 cc te zijn. Dat was een leuke kleine auto met een motorkap als van de De Dion en achterwielaandrijving via een tussenas. De wagen bleef twee jaar in productie.</p

Deze auto was in het verleden erg mooi

In 1904 werd achterwielaandrijving algemeen toegepast. Een hedendaagse journalist, die al eens in een 8 pk ‘miniatuur-Mercedes’ had ge¬reden, stelde verrast vast dat de Peugeot wat rijeigenschappen betreft helemaal niet aan een veteraan deed denken, maar veeleer aan een ‘vintage’-automobiel uit de jaren ’20. Wél vond hij, dat de twee cilindermotor in de lage versnellingen verontrustend trilde Het programma voor 1903 bestond uit vier auto’s: de 5 pk Bébé, een nieuw 6,5 pk model, waarop een vierzitstonneau De nieuwe Peugeots hadden zich in wedstrijden al laten zien. Roquette werd 19e in de race Parijs-Wenen van 1902 met een exemplaar met een motor van 40 pk en 11.322 cc. Zijn twee ploeggenoten haalden echter de finish niet, een lot dat ook aan Callois met zijn 16 pk tweecilinder van 2126 cc ten deel viel in de klasse ‘Voiture Légère’ (Lichte Klasse). De daaropvolgende tien jaar zou Peugeot zich echter bij autoraces niet meer vertonen, tenminste de hoofdfabriek niet. In 1906 had Robert Peugeot namelijk zijn eigen autofabriek in Valentigney opgezet onder de naam Lion Peugeot. Lion sloeg op de leeuw uit het Peugeot-embleem. De door Michaux ontworpen auto’s van Lion Peugeot waren bedoeld voor het opvangen van het gat aan de onderkant van de markt, dat na het productie eind van de Bébé was ontstaan. Niettemin werden beide merken toch concurrenten.

Oude mannen bij een van de eerste auto's

Lion Peugeot werd vooral bekend als raceauto. In de periode van 1908 tot 1911 bedacht het merk de merkwaardigste ontwerpen. Het doel was, de racereglementen te omzeilen. Daarin werd namelijk aan de boring van de cilinders een grens gesteld. Aan de slag van de zuigers niet. Lion Peugeot maakte daarom eencilinder motoren, V2-motoren en V4-motoren met een dusdanig lange slag, dat de coureur niet eens meer direct over de motorkap naar voren kon kijken. Bijzonder vooral was de VX5 uit 1910, die een 2815 cc motor had met de cilindermaten 80 mm x 280 mm, goed voor een maximumsnelheid van 152 km per uur in overdrive. Op le-lion-peugeot.nl kunt u meer informatie vinden over de Lion Peugeot.

De twee Peugeot firma’s gingen in 1911 weer samen, zij het dat de Lions tot het daaropvolgende jaar bleven racen en dat de toer modellen van Lion Peugeot tot 1913 werden gemaakt. De producten van wat toen Automobiles Peugeot heette, werden op de gebruikelijke ma¬nier gemaakt. Hun kwaliteit bleek uit de in 1905 verreden Coupe Rochet¬Schneider, een veeleisende 102 km lange testrit voor toerauto’s, die werd georganiseerd door de automobielclub van Zwitserland en werd verreden in de omgeving van Zürich. De hoofdprijs was bestemd voor de auto die de beste totaalprestatie zou leveren wat betreft betrouwbaarheid, benzineverbruik, heuvel klimwedstrijden en gemiddelde snelheid. Winnaar werd de 18 pk Peugeot van M. Perret, die was ingeschreven door de automobielclub van Auvergne.

Op de Parijse salon van 1907 werd de eerste zescilinder Peugeot gepresenteerd, terwijl op dezelfde tentoonstelling Tony Huber, die zich kort tevoren als autofabrikant had teruggetrokken om zich geheel op motoren bouw te concentreren, zijn naam verbond aan Automobiles Peugeot. In 1910 was het Peugeot programma uitgegroeid tot zeven modellen: een 1149 cc tweecilinder en zes vier cilindermodellen van 2001, 2619,3817,3989,5027 en 6082 cc. In dat jaar werd een nieuwe fabriek geopend in Sochaux, dat in 1928 het middelpunt van de autofabricage zou worden. Natuurlijk zijn er voor de Peugeot ook dakdragers te vinden. In 1912 kwam er een nieuwe Bébé, een kleine 850 cc viercilinder, die oorspronkelijk was ontworpen door Ettore Bugatti maar die verkocht was aan Peugeot. De zijklep motor werd uit één stuk gegoten en dreef de achteras aan via een merkwaardige twee versnellingstransmissie: twee concentrische cardanassen met getande einden, die aangrepen op een dubbele rij tanden van het kroonwiel. In 1914 volgde een drie versnellingsbak.