De autoproductie van Audi in een notendop

Goedkopere Audi

Rasmussen trachtte in 1931 een goedkopere Audi op de markt te brengen. Hiervoor bouwde hij een Peugeot viercilinder motor van 1100 cc in een DKW-chassis. Deze wagen werd echter niet in productie genomen. In 1932 introduceerde Audi een model met voorwielaandrijving: de 225. Dit model werd gekenmerkt door een vergroot DKW-chassis waarin een 2,3Iiter-zescilindermotor van Wanderer stond. Het koetswerk kwam uit de Horchfabriek. Het was een interessante machine, nog voor de overname door Ferdinand Porsche ontworpen: licht, met een aluminium blok, een gietijzeren cilinderkop en een zevenmaal gelagerde krukas. De motor was niet ontwikkeld om erg veel vermogen te leveren en hij gaf dan ook slechts 40 pk bij 3500 toeren per minuut, De wagen vertoonde verscheidene mankementen met betrekking tot de tandwielen in de versnellingsbak en de stuurinrichting. Er werden niet veel wagens van verkocht.

In de jaren ’30 bleef OKW de best verkochte auto in de Auto Uniongroep, me name omdat het bedrijf trouw bleef aar de kleinere wagens, Het F1-mode kreeg in de Reiehsklasse een 584 cc. motor en in de Meisterklasse een moto van 684 cc. De staande tweecilinder is tweetakt-uitvoering met voorwielaandrijving bleef gehandhaafd. De wagen: waren groter, met een wielbasis van meer dan 240 cm, zodat een vierzits carrosserie kon worden gebruikt. DKIJI bracht ook nog een serie conventionele wagens op de markt, naast de mo dellen met voorwielaandrijving. Voor deze wagens, bekend onder de naam Sonderklasse en Schwebeklasse, werd een voorin gebouwde V4-motor gebruikt, die de achteras bescheiden aandreef. De kracht van dé V4, gekoppeld aan het betrekkelijk bescheiden vermogen (26 pk) van de 1054 cc-motor, maakte dat de verkoop ver achterbleef bij die van wagens met voorwielaandrijving. De export van kleine auto’s groeide in de jaren ’30 en in Engeland veroverden ze een stevige marktpositie.

1920x1080 MediaTextCombi XL Outro LWB 300x169 - De autoproductie van Audi in een notendop

Autoracerij

In het begin van de jaren ’30 raakte Auto Union sterk betrokken bij de autoracerij. Het meeste werk daarvoor werd in de Horchfabriek gedaan, waar de ontwerpen van Porsche werden gebouwd. De nazi-regering subsidieerde het raceprogramma. De productie had er niet onder te lijden. De tweecilinder-DKW’s werden geproduceerd tot het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog. Ze veranderden slechts aan de buitenkant: het koetswerk werd steeds zwaarder. Afgezien van de vierdeurs sedans was er ook een leuke cabriolet met spaakwielen.

Audi was volhardend bezig gebleven met de saaie wagens met een Rickenbackermotor. In 1938 introduceerde het merk echter de 920, een heel wat ambitieuzere wagen. Men had daarvoor een dooschassis gemaakt met een onafhankelijke voorwielophanging (aan draag armen en dwarse draagveren) en een starre achteras met dwarse bladveren. De wagen werd aangedreven door een zescilindermotor die ontstaan was door twee cilinders te verwijderen uit de achtcilinder van Horch. Met een boring-slagverhouding van 87 mm x 92 mm en een inhoud van 3281 cc bereikte deze motor met bovenliggende nokkenas een capaciteit van 82 pk bij 3600 toeren per minuut. Daardoor konden de grote sedan en de cabriolet gemakkelijk snelheden halen van 136 km/ho Door de goede, gesynchroniseerde versnellingsbak met vier versnellingen en een weelderig koetswerk kwam Audi weer in de positie om zich te meten met de andere Duitse gezaghebbende merken. De productie werd echter beperkt door het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog. Van 1939 tot 1944 was de productie van de Auto Unionfabrieken gericht op de oorlogsvoering. Er werden voornamelijk vliegtuigmotoren en onderdelen van vliegtuigen gemaakt, maar tot 1941 bleef DKW ook auto’s produceren. In 1940 was men nog bezig met een splinternieuwe driecilinder, een tweetaktmotor. Die werd echter niet meer op de markt gebracht.

Aan het eind van de oorlog werden de Auto Unionfabrieken door de Russen bezet en later werden ze genationaliseerd door de Oost-Duitse autoriteiten. De autoproductie kwam heel langzaam weer op gang. Maar omdat Auto Union recht had op de namen Horch, Audi, DKW en Wanderer, noemden de Oost-Duitsers hun DKW-afleiding Trabant, terwijl de nieuwe Horch ‘Sachsenring’ werd genoemd. In Polen werd een kopie van de vooroorlogse tweecilinder DKW bekend als Syrena, terwijl de Oost-Duitse firma Wartburg ook wagens bouwde naar DKW-ontwerp.

De namen Horch en Wanderer hielden Op te bestaan na het uitbreken van de oorlog. In 1949 werd een nieuw Auto Unionbedrijf opgericht, om de DKW weer op de markt te brengen. In de fabriek in Düsseldorf richtte men zich aanvankelijk op de fabricage van een eigentijdse versie van de Meisterklasse, met een tweecilindermotor en een modern koetswerk. Toen de fabriek eenmaal draaide en bezig was auto-arm Europa te voorzien van auto’s, bracht ze ook het driecilinder-ontwerp uit 1940 op de markt. Deze motor, met een boring-slagverhouding van 71 mm x 76 mm, had een inhoud van 896 cc en ontwikkelde 34 pk bij 4000 toeren per minuut. en een compressieverhouding van 6:5:1. Hij was voorzien van een versnellingsbak met vier versnellingen, waarvan de laatste drie gesynchroniseerd waren. De standaard-sedan had een top van 120 km/ho De ophanging volgde de vooroorlogse traditie: met draagarmen en dwarse veerbladen voor en een starre as met dwarse veerbladen achter. Dit nieuwe Sonderklasse-model viel goed in de smaak bij het publiek. AI snel waren er, naast de gewone vierdeurs sedan, een twee- en een vierdeurs hardtopuitvoering en een stationcar.