203, Het na-oorlogs topmodel

Cabriolet tijdens Tweede Wereldoorlog

Gedurende de Tweede Wereldoorlog werd een aantal elektrische cabrioletten geproduceerd onder de aanduiding VLV. Na 1945 was Peugeot in Sochaux al gauw weer present met de 202. Daarvan werden er in 1946 maar liefst 14.000 stuks afgeleverd. Het jaar daarop kwam Peugeot met een nieuw model, het type 203 met rondom schroefveren (vóór onafhankelijk) en een 1,3 liter-motor met natte cilindervoeringen. De tandbeugelbesturing en de hydraulische remmen waren voor Peugeot een primeur. De 203 vormde het topmodel van Peugeot van 1949 tot 1954 en was goed voor nieuwe recordverkopen. Tot 1960 bleef de 203 in productie.

In 1950 nam Peugeot Chenard-Walcker over. Daardoor kreeg het bedrijf ook een behoorlijk stuk van Hotchkiss in bezit. In 1955 verscheen een nieuwe bestseller, het Type 403 met een 1,5 liter-motor. Daarmee richtte Peugeot zich op een duurder marktsegment. In 1960 kwam de motor van de 203, toen dit model eindelijk uit de productie ging, naar keuze voor de 403 beschikbaar, nadat de automobilist al vanaf 1959 ook voorde Indénor-diesel had kunnen kiezen. Tot april 1962 werden uiteindelijk een miljoen 403’s verkocht. Een Peugeot is een goede auto waar je een dakkoffer op kunt plaatsen.

 

Vormgeving

Wat de vormgeving betreft vertoonde de in 1960 uitgebrachte 404, met zijn vierkante carrosserie en ingekorte staartvinnen, dezelfde Farina-achtige karaktertrekken als de op het eerste gezicht gelijk uitziende modellen BMC A55 en Fiat 1800/2100. De 404 was voorzien van een grotere uitvoering (1618 cc) van de 403-motor. Deze motor was onder een hoek van 45 graden in de motorruimte geplaatst. Ook had de 404 een onafhankelijke voorwielophanging met MacPherson veerpoten. Het was een robuuste auto, die groot succes boekte in de East African Safari, een evenement dat Peugeot heel wat prestige opleverde, Eind 1962 introduceerde Peugeot de stationwagen uitvoering van de 404. Kopers konden kiezen tussen de 1468 cc-motor uit de 403 of de 1618 cc-motor van de 404, Gezinsauto’s werden door Peugeot geleverd met een extra achterbank en daardoor ontstond dan een achtpersoons auto, De coupé- en cabrioletuitvoeringen van de 404 hadden als keuzemogelijkheid benzine-injectie van Kugelfischer. In 1965 stelde Peugeot deze mogelijkheid ook voor de saloon beschikbaar.

In 1965 kwam er tevens een nieuwe kleine Peugeot, die in technisch opzicht net zo vooruitstrevend was als de oude 404, Dit was het Type 204, een vierdeurs saloon met een dwars geplaatste, geheel lichtmetalen motor van 1130 cc met een bovenliggende nokkenas. Deze dreef via een volledig gesynchroniseerde vier versnellingsbak, ondergebracht in het carter, de voorwielen aan. De wielophanging was rondom onafhankelijk. Wat de vorm betreft was de door Farina gemodelleerde 204 een stuk gladder dan de 404. De 304 uit 1970 was een 204 met een grotere 1288 cc-motor en karakteristieke trapeziumvormige koplampen, Dit had ook de 504 met zijn gelijkvormige stijl. De 504 had een 1796 cc-kopklepmotor met natte cilinderuitvoeringen, die ontwikkeld was uit de 404-motor. Verder had de 504 rondom bekrachtigde schijfremmen. Midden 1970 nam de cilinderinhoud van de 504-motor tot 1971 cc.

peugeot-204-coupe

Samenwerking

In de tussentijd had Peugeot enige voordelige samenwerkingsverbanden gesloten. In 1964 deelde het bedrijf een aantal middelen met Citroen. Onder andere namen beide merken, elk voor de helft, deel in de indénor-dieselmotor-fabriek. Vervolgens kwam in 1966 een gezamenlijk research -en investeringsproject van de grond tussen het nog steeds door de familie bestuurde Peugeot-concern en de door de staat beheerste Renault-maatschappij. Dat leverde onder meer de nieuwe geheel uit aluminium vervaardigde V6-motr van 2664 cc op. Deze werd aangekondigd op de Autosalon van Parijs van 1974. Het Zweedse bedrijf Volvo was de derde partner in dit project. De drie merken nemen de financiële en technische kanten ervan gelijkelijk voor hun rekening.

Peugeot gebruikte de V6-motr in de 504-coupe en 504-convertible en voorzag de motor van elektronische ontsteking. Deze ontsteking maakte de gebruikelijke contactpunten overbodig. Bovendien werd een vernuftig systeem toegepast van een dubbele carburateur met een gemeenschappelijk inlaatspruitstuk. Het idee hierachter was dat de enkele gasklep van de voorste carburateur mechanisch werd bediend door het gaspedaal. Stond deze gasklep eenmaal half open, dan zorgen de drukdaling in het inlaatspruitstuk ervoor, dat de achterste carburateur die een dubbele gasklep had eveneens openging, dus alleen gestuurd werd door het aanwezige vacuüm. Verder gaf Peugeot de nieuwe van een V6-motor voorziene 504’s, als eerste, stuurbekrachtiging.